Coenraad Albertus Jacobus Geesink (1828-1883)

Mijn betovergrootvader (generatie 5): Industrieel en liberaal stimulator van de vroege Amsterdamse arbeidersverenigingen.

 Mijn betovergrootvader CAJ Geesink is geboren te Weesp op 14 juni 1828 en overleden te Hilversum op 25 oktober 1883. Hij was de zoon van Coenraad Geesink, broodbakker, en Maria Havie. Op 7 juli 1853 trad hij in Kortenhoef in het huwelijk met Willemina Dorothea Maria Reuver (1824-1917), met wie hij drie dochters en vier zoons kreeg. Zijn echtgenote is een dochter van de bankier Gerhard Herman Reuver (1801-1869) en Anna Charlotte Guise (1800-1869). Ze heeft haar opvoeding gehad bij de Hernhutters in Zeist, waar toentertijd een meisjesinternaat gevestigd was.

Uit hun huwelijk werden de volgende kinderen geboren:
  1. Gerhard Herman Johannes Wilhelm Jacobus (1854-1929), predikant, hoogleraar Ethiek
  2. Gerhard Geesink (1856-1857)
  3. Catharina Maria Anna Charlotta Henriëtta Katz-Geesink (1857-1935). Ze huwde in 1879 mr. Samuel (Siegfried) Katz (1845-1890), advocaat, schrijver, journalist, lid van het Comité ter bespreking van de Sociale Quastie, Voorvechter van algemeen stem- en kiesrecht, met zijn schoonvader C.A.J. Geesink actief in vredesorganisties (lid Algemeene Vrede-Vereeniging), Voorzitter Algemeene Vredesbond, redacteur Algemeen Dagblad van Nederland, secretaris Centraal Comité tegen de Schoolwet, medeoprichter tijdschrift "Rechtsgeleerd Magazijn".
  4. Henri Geesink (1859-1963)
  5. Wilhelmina Dorothea Albertine Jacoba Geesink, (1862-1865)
  6. mr Coenraad Gerhard Herman Hendrik Willem Geesink (1863-1917), advocaat en procureur te Amsterdam, Huwde in 1895 met Maria Henrietta Oetgens van Waveren Pancras Clifford (1870-1953)
  7. Hermina Ottolina Mathilde Maria Sophia Geesink (1865-1941) (mijn overgrootmoeder). Ze trouwde in Hilversum in 1887 met ds. Johannes Bernardus Theodorus Hugenholtz (1859-1922), predikant in Axel.
Stacks Image 2324
Mijn betovergrootvader Coenraad Albertus Jacobus Geesink (1828-1883)
Stacks Image 2327
Mijn betovergrootmoeder: Willemina Dorothea Maria Geesink-Reuver (1824-1917)
Stacks Image 2330
Zijn ouders; Coenraad Geesink en Maria Geesink-Havie
Stacks Image 2503
Haar ouders: Gerhard en Anna Reuver-Guise in hun huis aan de Singel 139 in Amsterdam. Op schoot hun kleinzoon Willem Geesink (1854-1929).
Stacks Image 2410
Kerkje in Kortenhoef waar ze getrouwd zijn.
Stacks Image 2339
Interieur NH Kerk in Kortenhoef
Geesink groeide in Weesp op in een gezin, dat tot de Hervormde kerk behoorde, met drie oudere zusters en twee jongere broers. De vader had verschillende knechten in de bakkerij en dienstboden, die bij het gezin inwoonden. Geesink werd directeur van zeepziederij De Keizerskroon aan de Brouwersgracht in Amsterdam en behoorde tot de vooruitstrevenden uit burgerlijke kring, die de omstandigheden waaronder 'het volk' leefde, wilden verbeteren. Hij was met de hoogleraren T.M.C. Asser en J. Vissering en de econoom N.G. Pierson een van de sprekers op de op 3 maart 1866 door het bestuur van het Paleis voor Volksvlijt belegde openbare vergadering over het onderwerp 'Hoe moeten de arbeiders-vereenigingen hier te lande worden ingerigt en tot stand gebracht?' Sprekend over de Franse arbeidersverenigingen bracht hij volgens het Algemeen Handelsblad hulde aan 'het groote beginsel dat arbeidersvereenigingen moeten worden opgerigt door arbeiders, waarbij anderen door raad en voorlichting bijstand verleenen'. C. Regenboog, voorzitter van de Amsterdamse typografenvereniging Voorzorg en Genoegen voerde tijdens het debat het woord en K. Ris zag in het verloop van de vergadering aanleiding een brochure over de arbeidersverenigingen uit te geven. Een commissie, waartoe Geesink behoorde, bereidde een vervolgvergadering voor. Deze werd gehouden op 7 april 1866 en, evenals de eerste, bijgewoond door vertegenwoordigers van de vrijdenkersvereniging De Dageraad. Een jaar later begeleidde Geesink samen met de Amsterdamse architect I. Gosschalk een groep van 22 werklieden naar de internationale tentoonstelling in Parijs. Het initiatief tot de reis was van hem uitgegaan en naar mag worden aangenomen nam hij ook de kosten voor zijn rekening. In zijn verslag van het bezoek aan Parijs ging hij uitvoerig in op de coöperatieve beweging in Frankrijk. Deze verdiende volgens hem navolging in Nederland.
 
In 1868 stelde Geesink de Amsterdamsche Werkmansbond financieel in staat een eigen gebouw te verwerven, nadat hij in maart het maandblad Bijdragen voor Arbeid en Kunst had gelanceerd. Blijkens de ondertitel was dit het orgaan van de Vereeniging voor oeconomischen en technischen Vooruitgang, waarvan hij voorzitter was. Hij stelde zijn blad open voor de arbeidersverenigingen en nodigde P. Werthweijn, de voorzitter van de Algemeene Nederlandsche Typografenbond (ANTB), uit redacteur te worden. Het blad werd aanvankelijk door Blikman en Sartorius gedrukt, vervolgens door een door Geesink en enkele leden van de ANTB opgezette drukkerij. Het bedrijf dat in Geesinks zeepziederij was ondergebracht, heette een produktie-vereniging te zijn, maar was in werkelijkheid een commanditaire vennootschap met Geesink als financier. De ANTB participeerde voor f500. H. Regenboog, de tweede secretaris van de ANTB en oudste zoon van de voorzitter van Voorzorg en Genoegen, leidde het bedrijf, dat in de eerste plaats was gesticht om typografen, die vanwege hun lidmaatschap van de ANTB waren ontslagen, aan werk te helpen. Ook Werthweijn vond op deze wijze een betrekking. De relaties tussen Geesink en de ANTB werden nog nauwer toen deze zich bij de ANTB aansloot en in oktober 1868 eerste secretaris van de bond werd. Mede onder zijn invloed ging de ANTB begin 1869 een radicalere koers varen. Na zich op de hoogte te hebben gesteld van het in de Brusselse drukkerijen toegepaste loonstelsel, ontwierp hij een nieuw loontarief voor zetters en drukkers. Dit 'Ontwerptarief voor zetloon in Nederland' werd voorgelegd aan de patroons, die aanvankelijk welwillend reageerden, maar het voorstel uiteindelijk toch afwezen. De typografen antwoordden met een staking die, doordat zich voldoende werkwilligen aanmeldden, maar korte tijd kon worden volgehouden. De Amsterdamse politie die de gebeurtenissen nauwlettend volgde, meende dat Geesink bij deze staking, en ook bij die van de scheepstimmerlieden enkele maanden tevoren, een belangrijke rol speelde. Toch mag worden betwijfeld of Geesink het met de staking van de typografen eens was. Het besluit daartoe was namelijk overhaast en zonder overleg met het hoofdbestuur van de ANTB genomen. Of had Geesink, bevlogen en emotioneel als hij soms kon zijn, zich aan de kant van de stakers geschaard zonder zijn medebestuurders te raadplegen? Hoe dit zij, na de staking bekoelden de betrekkingen tussen Geesink en de bond zodanig dat hij besloot het secretariaat van de ANTB neer te leggen en zijn lidmaatschap te beëindigen. Ook wat de drukkerij betreft werden de banden verbroken met als resultaat dat Geesink - inmiddels opgehouden met de fabricage van zeep - het bij de drukkerij nu alleen voor het zeggen had. Hij bracht het bedrijf onder in de naamloze vennootschap Boekdrukkers-Vereeniging, waarvan hij directeur werd. In december 1868 was, als opvolger van de Bijdragen voor Arbeid en Kunst, De Werkman verschenen. De uitgave werd na de typografenstaking gestopt, maar Geesink verklaarde zich bereid het blad aan de ANTB af te staan. Als nieuwe uitgever, tevens redacteur en administrateur, trad op J.H.F.H. Wollring, medeoprichter van de Nederlandse sectie van de (Eerste) Internationale en beter bekend onder de naam H. Wollring, die De Werkman liet drukken bij zijn schoonvader F.W. Vislaake. Geesink behield het als vooruitstrevend te typeren Algemeen Dagblad van Nederland, waarmee hij in juli 1869 dus onmiddellijk na het opheffen van het dagbladzegel - was begonnen. Geesink en zijn krant stonden aanvankelijk welwillend tegenover de Internationale, maar de toon van het Dagblad werd allengs kritischer. Geesink meende onder andere dat de Internationale ten onrechte alleen werklieden als lid toeliet en hoofdarbeiders uitsloot.
 
Geesink was betrokken bij de vorming van het Comité ter bespreking der Sociale Quaestie. Hij leidde de Amsterdamse afvaardiging naar de oprichtingsbijeenkomst op 30 oktober 1870 te Utrecht en gaf ten behoeve van het Comité het weekblad Nederland uit. Hij was ook een van de oprichters van de Vereeniging 'Het Algemeen Stemrecht'. Deze organisatie bestond maar korte tijd. In haar plaats kwam in 1871 de Democratische Vereeniging, waarvan Geesink bestuurslid werd. In 1872 bepleitte deze vereniging in een petitionnement aan de koning invoering van het algemeen kiesrecht. Zelf meende Geesink dat alleen zij die getoond hadden maatschappelijke belangstelling te hebben, voor het kiesrecht in aanmerking dienden te komen. Het welvaartscriterium bij het verlenen van kiesrecht verwierp hij. In 1871 zag hij zich vanwege de slechte financiële resultaten genoodzaakt de verschijningsfrequentie van zijn krant terug te brengen tot tweemaal per week. Hij veranderde de naam in Algemeen Volksblad voor Nederland en voegde deze na nog enkele naamswijzigingen in 1878 samen met het weekblad Nederland tot Nederland. Algemeen Volksblad, dat eenmaal per week uitkwam. In 1874 had hij het Tijdschrift voor Decoratieve Kunst en Volksvlijt uitgebracht, maar dit sloeg niet aan. Mede omdat hij drukwerk voor ideële doeleinden vaak kosteloos vervaardigde, leverde zijn drukkerij voortdurend verlies op. In 1880 was het bedrijfskapitaal van zijn vennootschap zodanig geslonken dat op de aandelen zeventig procent moest worden afgeschreven. Ongetwijfeld zullen de slechte financiële uitkomsten van zijn projecten een rol hebben gespeeld bij het begin jaren tachtig genomen besluit zijn zakelijke en ideële activiteiten te beëindigen. Maar een belangrijk motief zal ook de houding zijn geweest, die de radicalen in de arbeidersbeweging tegenover hem aannamen. Sommigen lieten blijken te twijfelen aan zijn goede bedoelingen. E.Ph.H. van der Ven, alias Jac. Rademacher, bij voorbeeld noemde hem in De Tolk van den Vooruitgang 'een politieke tinnegieter' en schreef dat hij zijn krant had gesticht om 'de liberale behoudsmannetjes' een genoegen te doen. Teleurgesteld verhuisde Geesink naar zijn zomerhuis in Hilversum ("Villa Mathilde"). De laatste periode van zijn leven was hij ziek, wellicht hart problemen. Hij heeft in 1882 nog gekuurd in Bad Neuenahr (D). Hij overleed in Hilversum 1883, op 55-jarige leeftijd overleed. Mina Geesink-Reuver heeft de laatste jaren van haar leven in Amsterdam en uiteindelijk bij haar zoon Willem in Watergraafsmeer gewoond.

Nassaukade 107 (1890-1895)
Prinsengracht 255 (1895-1903)
Middenweg 24 (1903-1914)
Prins Hendrikkade 186 (1914)
Potgieterstraat 18 (1914)

Citaat uit "De Reformatie, 16 mei 1924". En naar men mij vertelde, was het een aandoenlijk gezicht, hoe Prof. Geesink, als in de ''kerk van Watergraafsmeer het Avondmaal werd bediend, zijn moeder, die moeilijk loopen kon, een arm gaf en haar zoo naar den Heiligen Disch geleidde.'' En in de konsistorie van Watergraafsmeer' 's Gereformeerde Kerk wordt nog altijd een bijbel gebruikt, die de oude mevrouw Geesink den kerkeraad ten geschenke had aangeboden.
Ze overleed uiteindelijk op 93 jarige leeftijd in Amsterdam.

LITERATUUR:
J. Rademacher, 'De arbeidersbeweging in Nederland' in: De Tolk van den Vooruitgang, 1878, 304 en 388;
B.H. Heidt in: De Werkmansbode, 25.10.1883;
A.H. van Nierop, E. Baak, De Nederlandsche naamlooze vennootschappen (Zwolle 1884) 486-487;
Bymholt, Geschiedenis;
B.H. Heldt, Algemeen Nederlandsch Werklieden-Verbond, 1871-1896 (Leeuwarden 1896);
F. van der Wal, De oudste vakbond van ons land, 1866-1916 (Amsterdam 1916);
Th. van Tijn, Twintig jaren Amsterdam (Amsterdam 1965);
J.J. Giele, De eerste Internationale in Nederland (Nijmegen 1973);
J.J. Giele, 'Het ontstaan van de typografenvakorganisatie in Nederland (1837-1869)' in: Mededelingenblad, nr. 42, november 1972, 2-55.
 
Auteur: H.J. Scheffer
Oorspronkelijk gepubliceerd in: BWSA 4 (1990), p. 57-60
Stacks Image 4380
Geesink kinderen omstreeks 1870; vlnr Mathilde Hugenholtz-Geesink (1865-1942), Willem Geesink (1854-1929), Maria (1857-1935) en Coenraad (1863-1917)
Stacks Image 4793
Mijn overgrootmoeder Mathilde Geesink (1865-1942) is geboren in dit huis aan de Herengracht 3 in Amsterdam (foto 2014). Haar ouders zijn hier als jong stel komen wonen en hadden in eerste instantie het onderste deel in bezit. Vrij snel daarna kochten ze het gehele pand. Het huis staat beschreven in het boek "Gereformeerde Ethiek" door prof. dr. W. (Willem) Geesink.
Stacks Image 4383
Het “Gouden Servies” in 1904 beschreven in de boedel van Mina Geesink-Reuver (1824-1917). Nu in mijn bezit
Stacks Image 4389
“ De Keizerskroon” Brouwersgracht 114-118 in Amsterdam, waar zijn zeepziederij en drukkerij gevestigd waren. Foto 2014.
Stacks Image 4370
Gevelsteen “ De Keizerskroon” Brouwersgracht 114-118 in Amsterdam. Foto 2014.
Stacks Image 4395
“Villa Mathilde”: het buitenhuis van de familie in Hilversum. Tegenwoordig heeft dit huis het adres 'de Rijklaan 1". CAJ Geesink is hier in 1883 overleden.
Stacks Image 4440
Huwelijk van mijn overgrootouders Hugenholtz-Geesink
bij haar ouderlijk huis in Hilversum 1887
Stacks Image 4398
Bad Neuenahr, waar mijn betovergrootvader enige tijd voor zijn overlijden nog kuurde.
Stacks Image 4386
Mijn bet-overgrootmoeder: Mina Geesink-Reuver (1824-1917) op hoge leeftijd
Stacks Image 4410
Mina Geesink achter haar huis in Amsterdam aan de Prinsengracht 255. Foto dateert uit omstreeks 1895
Stacks Image 6111
Achtertuin van de pastorie in Axel waar haar schoonzoon (mijn overgrootvader predikant was.; 7 aug 1899; Mina Geesink met gezin van haar dochter Marie Katz-Geesink op bezoek in Axel.
Op de balustrade:
Johan Rudolf Katz (1880-1938); Marie Katz-Geesink; Frida Katz (1885-1963); Mathilde Hugenholtz-Geesink (1865-1941); JBT Hugenholtz (1859-1922); oma Geesink-Reuver (1824-1917); Karel Fredrik Katz (1883-1942).
Op de trap: boven: Han (JBTh 1888-1973), Henk (HSJ (1895-1956); Co (CAJ 1893-1917);
Beneden: Gemma (1891-1960), Gerhard (1889-1969)
Stacks Image 4404
Tegenwoordig is dit kerkhof in Hilversum een monument. Op de voorgrond de familiegraven Geesink - Reuver - en Guise: 3 generaties voorouders
Stacks Image 4401
Oude foto van Kerkhof “Gedenkt te Sterven” aan de Torenlaan in Hilversum
Stacks Image 4407
Grafsteen Echtpaar Geesink-Reuver in Hilversum
Stacks Image 4413
Het naaitafeltje van mijn bet-overgrootmoeder: Mina Geesink-Reuver (1824-1917), dat bij mij thuis staat.
CAJ Geesink heeft allerlei boeken en artikelen over velerlei onderwerpen geschreven. Hieronder een artikel over
Bierbrouwerij en azijnmakerij uit 1855
Zeepzieden in het "Tijdschrift ter bevordering van Nijverheid" van1860

Een jaar voor zijn dood schreef hij een brief aan zijn echtgenote, waarin hij een aantal tafereeltjes uit het dagelijks leven beschrijft.

Van mijn betovergrootmoeder Mina Geesink heb ik nog een schrift getiteld: "aan Mathilde" in bezit, waarin ze veel geboortedata en sterfdata heeft beschreven, alsmede haar inventaris in 1904.