JBTh Hugenholtz (1725-1789)

Mijn verre voorouder (generatie 8): Predikant in Emlichheim

Mijn directe voorouder JBTh Hugenholtz (1725-1789) is gedoopt op 1 augustus 1725 in Schüttorf, waar zijn vader Friedrich Wilhelm Hugenholtz (1693-1730) predikant was. Toen hij 4 jaar oud was overleed zijn vader. Vanaf 8 september 1740 studeerde hij theologie in Groningen. Hij was enige tijd predikant in Neuenhaus, daarna in Coevorden en tenslotte vanaf 1745 in Emlichheim. Toen hij daar aankwam waren er al direct moeilijkheden omdat de woning van de 2e predikant niet vrij was. De pastorie van de 1e predikant, "De Weme", was nog steeds bezet door ds. Sprüngli, die zijn woning, ondanks zijn emeritaat niet wilde verlaten voor de 2e predikant ds. Villar. Omdat hij zulke goede betrekkingen had met de Oberkirchenrat kreeg hij toestemming om daar te blijven wonen. Daarom bleef Villar, ondanks dat hij 1e predikant was in het vicariaat - de woning van de 2e predikant- wonen. Ds. Hugenholtz woonde eerst in "de Höfte". Dit huis, dat eigendom van de Graaf van Bentheim was, werd vaak gebruikt door predikanten, ambtenaren en weduwen van predikanten. Toen Hugenholtz hier in 1745 kwam wonen, was het al aan het vervallen. Later kwam hij te wonen in een huurwoning, die hij in 1767, toen hij al in de Weme woonde, kocht. Hierover gaat de volgende akte.

Staatsarchief Osnabrück rep 955 nr 80 blz 303-304:
"Koopverdrag tussen Hendrikien Wandscheer geb Warsum wed. van Harm Wandscheer en Geesje Hans verkopen 7 mrt 1767 aan ds Joh. Bern. Theod. Hugenholtz, echtlieden, het kleine huisje met een gaarden."
Dit huisje heeft later het nummer 90 gekregen en was in die tijd bewoond door de weduwe van ds. Villar, geboren Straatman uit Hattem. In 1790 woonde er een Nyhuis in dit huis. Waarschijnlijk waren dit de dochter en schoonzoon van ds. Hugenholtz.
In 1745 brak er een grote veeziekte uit, waardoor veel boeren in de problemen kwamen. Hugenholtz regelde direct allerlei collectes en kwam daardoor al snel in de gunst bij de boeren. Villar echter had al lange tijd ruzie met de boeren omdat hij de kerkelijke regels precies na wilde leven. Zo verklaarde hij al hun kerkenraadsvergaderingen ongeldig, omdat daar een predikant bij aanwezig moest zijn. Bij de benoeming van Hugenholtz heeft hij zich nooit neer willen leggen, maar hij kon er niets tegen doen. Hij heeft Hugenholtz nooit echt geaccepteerd. Dat de boeren meer ophadden met Hugenholtz dan met Villar blijkt wel uit het feit dat de boeren wel turf wilden steken voor Hugenholtz, maar niet voor Villar.
Sprüngli vertrok uiteindelijk toch uit de 1e pastorie en stierf kort daarop. In deze tijd (ca 1750) moet hij ongeveer getrouwd zijn met Swaantien Büssemaker (1726/1727-5 december 1815). Ze is op hoge leeftijd overleden in Emlichheim. Ze is een dochter van de rijke boer Hendrik Büssemaker en Geesien Winkelink. De familie Büssemaker woonde in een grote boerderij die links naast de kerk stond (en ook naast de Höfte). Op 10 januari 1750 kon hij eindelijk de 2e pastorie betrekken.

Uit hun huwelijk zijn de volgende kinderen geboren:
  1. Catharina Elisabeth Nyhuis-Hugenholtz (1751-1831), getrouwd met Hillebrand Nyhuis (1745-1802), banketbakker in Hardenberg.
  2. Frederik Willem Hugenholtz (1754-1812), predikant in Gasselternijeveen
  3. Hendrikus Stephanus Hugenholtz (1762-1842), predikant in Veldhausen: mijn directe voorouder

Rond 1750 liepen 2 dochters van boer Berink vanuit de kerk over het ijs van de Vecht (die in die tijd nog langs de kerk liep) naar huis. Plotseling zakten ze door het ijs en verdronken. Pas in de lente werden ze weer gevonden, hand in hand en één van hen had de bijbel nog onder haar arm (deze bijbel is momenteel (1987) in het bezit van de huidige boer Berink). Ds. Hugenholtz is toen gevraagd om een preek te houden. Na 240 jaar konden verscheidene mensen mij nog vertellen dat deze preek handelde over de woorden: "En Aäron zweeg stil". Deze preek moet dus wel enorme indruk gemaakt hebben.
In 1758 stierf ds. Villar, waardoor Hugenholtz 1e predikant werd, met alle voordelen die daaraan verbonden waren. Vanaf die tijd vermeldde de kerkprotocollen weinig bijzonders. Alles lijkt in goed overleg te lopen. Er waren geen heftige discussies meer, terwijl dat voor 1758 meer regel dan uitzondering was. Het is niet zo vanzelfsprekend dat alles zo rustig verliep, want al meer dan 140 jaar woedde er een heftige strijd tussen de plaatselijke kerkenraad en de machtige Oberkirchenrat. De protocollen melden over meningsverschillen, tegengestelde belangen, inmenging van de kerkenraad met predikanten. Een groot struikelblok was de vraag wie er mocht beslissen over de windmolen die in de gemeente stond, wie de molenaar mocht benoemen etc. De Oberkirchenrat beriep zich op een bepaling van de Graaf van Bentheim uit 1613, waarin zij ook over het vermogen van de gemeente kon beslissen. De kerkenraad van Emlichheim beriep zich op het oude recht, het vóór-constitutionele recht. Ze hadden de molen in 1448 gekocht. De bepaling had dus directe invloed op de economische belangen van de boeren.
Deze boeren hadden veel invloed bij de lokale kerkenraad en zorgden er voor dat de predikant van hun keuze benoemd werd en niet de predikant die de Oberkirchenrat voordroeg. Ook de benoeming van Hugenholtz in 1745 was niet vlekkeloos verlopen. Uit de kandidatenlijst koos de Emlichheimse kerkenraad ds. Eerde uit de Baronie van Breda en de Oberkirchenrat koos voor ds. Poppejus. Toen Emlichheim ds. Eerde er eindelijk doorgedrukt had, bedankte hij. Bij de hernieuwde verkiezingen koos Emlichheim voor ds. Tapper. Uiteindelijk stemde de Oberkirchenrat toe, maar ze wilden niets zeggen over de hoogte van het traktement of over de woning. Hierop bedankte ook Tapper. Uiteindelijk werd de 20 jarige ds. Hugenholtz voorgedragen. Hij won uiteindelijk de verkiezingen met 10:5.
Toen in 1758 ds. Villar stierf, moest er een nieuwe 2e predikant worden gekozen. De Oberkirchenrat stond er op dat de door hun voorgedragen ds. Engelbertz gekozen werd. Als zijn tegenkandidaat stelden ze ds. Schultz voor. De kerkenraad van Emlichheim stelde echter ds. Frantzen voor. Emlichheim koos eenstemmig voor Frantzen en de Oberkirchenrat voor Engelbertz. Ds. Hugenholtz koos diplomatiek voor ds. Schultz, zodat hij de Oberkirchenrat niet tegen zich in het harnas zou jagen, en ook de boeren te vriend te houden.
Emlichheim ging een krachtproef aan met de Oberkirchenrat door toch Frantzen als predikant aan te stellen; en Hugenholtz bevestigde hem. Tien jaar lang werden er processen gevoerd. De Oberkirchenrat schakelde zelfs de koninklijke regering in Hannover in, om ds. Frantzen van zijn taak te ontheffen. Dit omdat hij zijn ambt uitoefende zonder toestemming van de Oberkirchenrat. Ten slotte koos de regering ten gunste van de gemeente Emlichheim. Hugenholtz en Frantzen konden goed met elkaar opschieten. Frantzen is uiteindelijk meer dan 60 jaar predikant in Emlichheim geweest.
Hugenholtz kreeg als predikant 150 gulden per jaar van het "Geistliche Rentambt", dat de in beslag genomen goederen van de katholieke kerk beheerde. Tevens kreeg de eerste predikant ook een boerderij: "de Wedeme" met koeien etc. tot zijn beschikking. Deze boerderij kon hij verpachten, of hij kon er een knecht laten werken. Daarnaast kreeg hij twee groentetuinen tot zijn beschikking en hadden de predikanten het alleenrecht over de toenmalige visvijver achter de kerk. Meestal waren zulke vijvers eigendom van de Graaf. Van de molen kreeg hij nog twee mut rogge. Bij elkaar kreeg hij 700 à 800 gulden, wat veel geld was in die tijd. Hij behoorde dus tot de rijke burgerij en het zal dus wel geen toeval zijn dat hij in de doopregisters de gegevens over de boeren en de hogere klasse opvallend uitgebreider beschreef dan de gegevens over de lage klasse.
Zijn invloed in de Graafschap werd steeds groter omdat hij familiebanden had met veel predikanten, rijke burgers, leden van de kerkenraad (zijn schoonvader was 4 jaar kerkvoogd) en leden van de Oberkirchenrat. Ook van de boeren kreeg hij alle steun. Als deze weer eens ruzie hadden met de Oberkirchenrat, koos hij vaak voor een tussenweg, maar probeerde indirect toch de zin van de boeren er door te drukken.
Uit zijn preken, waarvan ik er enkele in mijn bezit heb, is af te leiden dat hij een conservatieve en orthodoxe predikant was. Hij is tot zijn dood in 1789 predikant geweest in Emlichheim, en is daar op 64 jarige leeftijd overleden. Oorspronkelijk lag jij begraven bij de kerk, maar zijn graf is waarschijnlijk geruimd in de Franse tijd. In het boek van ds. W.F. Visch: "De geschiedenis van het Graafschap Bentheim", uitgegeven in Zwolle in 1820, is op blz 78 is een gedicht geschreven door ds. Visch zelf. Hierin komt het volgende couplet voor.

Gy Sikkers! Hugenhold, myn vrienden.
En Kappenberg, myn tydgenood.
Myn zoekend oog kan U niet vinden.
Gy slaapt in d' armen van den dood.

Reformierte Kirche in Emlichheim, waar mijn voorouder gepreekt heeft.
Reformierte Kirche in Emlichheim, waar mijn voorouder gepreekt heeft.