Echtpaar Hugenholtz-Cramer

Mijn betovergrootouders (generatie 5): Gerard Hugenholtz (1826-1893), predikant en wijnhandelaar en Euphemia Cramer (1829-1905)

Mijn betovergrootvader Gerard W.K. Hugenholtz (1826-1893)
Mijn betovergrootvader Gerard W.K. Hugenholtz (1826-1893)
Mijn betovergrootmoeder Euphemia Cramer (1829-1905). Zij was de kleindochter van Hendrik Knijpinga Cramer (1754-1815), de laatste drost van Twente.
Mijn betovergrootmoeder Euphemia Cramer (1829-1905). Zij was de kleindochter van Hendrik Knijpinga Cramer (1754-1815), de laatste drost van Twente.
De laatste rustplaats van mijn betovergrootouders op de algemene begraafplaats in Utrecht.
De laatste rustplaats van mijn betovergrootouders op de algemene begraafplaats in Utrecht.
hun zoon: JBT Hugenholtz (1859-1922); mijn overgrootvader
hun zoon: JBT Hugenholtz (1859-1922); mijn overgrootvader
Hun dochter: Helena Aleida Hendrika Crap Hellingman-Hugenholtz (1865-1942)
Hun dochter: Helena Aleida Hendrika Crap Hellingman-Hugenholtz (1865-1942)
Mijn betovergrootvader Gerard Hugenholtz is geboren in Veldhausen in 1826. Hij is een zoon van JBTh Hugenholtz (1796-1871) en Aleida Hana (1798-1834).

Op 21 maart 1849 trouwde hij in Neuenhaus -waar zijn vader predikant was- met Euphemia Gerhardine Henrie╠łtte Cramer (1829-1905), een dochter van Herman Cramer en Helena Aleida Hendrika Selkens.

Uit hun huwelijk zijn de volgende kinderen geboren:
  1. Johannes Bernardus Theodorus Hugenholtz (1849-1857). Hij is 's avonds om 8 uur in Neuenhaus van een hooiwagen gevallen en aan de gevolgen van deze val overleden. De bovenstaande informatie is verteld aan mijn grootvader, ds. G.W.K.Hugenholtz (1889-1969) door zijn grootmoeder Hugenholtz-Cramer (1829-1907).
  2. Johannes Bernardus Theodorus Hugenholtz (1859-1922), predikant in Axel; mijn overgrootvader
  3. Helena Aleida Hendrika Crap Hellingman-Hugenholtz (1865-1942), trouwde in Utrecht met Jacobus Lambertus Crap Hellingman (1862-1937), postdirecteur in Laren.

Hij studeerde aanvankelijk theologie in Utrecht, maar hij weigerde zijn proponentsfomulier te tekenen vanwege de sterke moderne richting in de N.H. Kerk. Vervolgens ging hij naar de Theologische Hogeschool in Kampen. Zijn theologische studie in Kampen verliep vlot. In juni 1858 legde hij het literarisch examen af en precies een jaar later meldde hij zich aan voor het kandidaatsexamen. Tot de bediening des Woords werd hij echter niet toegelaten. Curatoren en docenten achtten hem onbekwaam, gelet op de "weinige uitgebreidheid in kennis en gebrek aan genoegzame vastheid in hetgeen bij het examen geopenbaard is". De afgekeurde kandidaat bleek echter niet voor één gat te vangen en hij wendde zich prompt tot de classis Overijssel van de kruisgemeenten. Deze wees hem echter op haar vergadering van 26 juli 1859 ook af en achtte de examinandus "geheel ongeschikt, uit hoofde dat hem alle geestelijkheid ontbreekt." Hij gaf het echter nog niet op. In Deventer kwam hij in aanraking met kruisdominee ds. Cornelis van den Oever, die in 1858 na een conflict een min of meer geïsoleerde positie innam. Aan hem gaf hij te kennen ontevreden te zijn over de predikanten Plug en Klinkert, tegenstanders van Van den Oever. Deze mededeling was uiteraard koren op de molen van Van den Oever. De broeders werden het eens, de familie Hugenholtz verhuisde naar Rotterdam, waar Hugenholtz ging assisteren in Van den Oevers gemeente. Op 11 april 1860 werd hij zelfs toegelaten tot de evangeliebediening en dat nog wel tegelijk met zijn zwager Herman Cramer, die na een opleiding tot evangelist te Barmen was vastgelopen wegens de liquidatie van de Vereniging voor inwendige zending, die door A. Capadose werd geleid. De beide zwagers werden met name geëxamineerd in de kerkelijke geschiedenis alsmede in de stellige en de weerleggende godgeleerdheid.
In oktober 1860 wendde Van den Oever en Hugenholtz zich samen tot de minister van eredienst met het verzoek om als kerkgenootschap erkend te worden onder de naam van oud-gereformeerden: voor Hugenholtz een bekende klank. Het verzoek werd afgewezen. Bij zijn ambtswerk kreeg Van den Oever nog een bijzondere taak. Sinds de zomer van 1860 woonde de familie in Rotterdam bij de gewezen zilversmid Abraham Verheij (1821-1913), afkomstig uit Schoonhoven. Deze kreeg lessen van Hugenholtz en die sloegen dusdanig aan dat hij, reeds na ongeveer zeven weken onderricht, regelmatig uit preken ging. Maar het bleef niet goed gaan, want Van den Oever raakte met zijn collega in onmin en zo scheidden hun wegen. Voor Hugenholtz was er echter vlakbij een passend alternatief.. Sinds 1858 kwamen bezwaarde kruisgezinden, min of meer aangevoerd door H. Mondeloo, in een aparte kring samen. Daarbij voegde zich in oktober 1861 de kerkmeester J.O. Lindeman, een borstelfabrikant, die voor de groep een kerkje liet bouwen aan de Goudseweg. Daar trad ds. Hugenholtz korte tijd op. Toen in het begin van 1862 ook Lindeman met Hugenholtz ruzie kreeg, werd de relatie verbroken en verliet de familie Hugenholtz de Maasstad. Vervolgens diende hij nog als voorganger een vrije kring in Hazerswoude en aansluitend een wankele kruisgezinde groepering in Hellevoetsluis, waarna de familie naar Haarlem zou zijn vertrokken. In 1865 verbleef de familie weer in het vertrouwde Bentheim, waar op 31 oktober een tweede kind werd geboren. Uiteindelijk werd hij handelsreiziger en wijnhandelaar en vestigde zich in Utrecht. Hij bleef echter regelmatig preken -'s zondags en in de week- door heel Nederland. Vooral in de Christelijk Gereformeerde kerk preekte hij veel. Hij werd door zijn vrienden "de dominee" genoemd. Hij moet erg goed zijn geweest in het spreken en dichten in het Latijn. Hij is overleden in Utrecht in 1893. Zijn echtgenote overleed ruim 10 jaar later bij haar dochter in huis in Amsterdam. Samen liggen ze begraven in Utrecht.