Johannes Bernhardus Theodorus (JBTh) Hugenholtz (1725–1789): Predikant
Mijn verre voorouder (generatie 8): Predikant in Emlichheim en bemiddelaar in het graafschap Bentheim
Johannes Bernhardus Theodorus (JBTh) Hugenholtz (1725–1789) was hervormd predikant in de grensregio van de Graafschap Bentheim en Drenthe, met Emlichheim als belangrijkste standplaats. Hij geldt als stamvader van de “Bentheimse” predikantenlijn van de familie Hugenholtz. Zijn leven laat zien hoe een jonge theoloog uit een predikantsfamilie uitgroeide tot een lokaal invloedrijke predikant en bemiddelaar in een politiek en economisch onrustige tijd.
⸻
2. Jeugd en afkomst
JBTh Hugenholtz werd gedoopt op 01-08-1725 in Schüttorf (Graafschap Bentheim, nu Niedersachsen), waar zijn vader Friedrich Wilhelm Hugenholtz (1693–1730) toen predikant was.[1] De precieze geboortedatum is niet overgeleverd, maar zal kort vóór de doop hebben gelegen [vermoeden]. Zijn moeder was Catharina Elisabeth Stühlen. De familie behoorde tot de geletterde, gereformeerde burgerij in een grotendeels agrarische streek.
Toen Johannes ongeveer vier jaar was, overleed zijn vader.[1] Voor een predikantsgezin betekende dit niet alleen emotioneel maar ook sociaal-economisch verlies: de combinatie van pastorie, traktement en sociale status viel weg. In dergelijke situaties was het voortzetten van de theologische traditie door een zoon een voor de hand liggende strategie [vermoeden].
De Graafschap Bentheim was in de zeventiende en achttiende eeuw overwegend gereformeerd. De kerk stond onder sterke invloed van de graaf en de Oberkirchenrat, het centrale kerkbestuur. Lokale gemeenten en kerkenraden bewogen zich voortdurend in een spanningsveld tussen eigen autonomie en centrale sturing.[5] In dat krachtenveld zou Hugenholtz later zijn hele loopbaan opereren.
⸻
3. Studie en eerste predikantsjaren
Op 08-09-1740 werd Hugenholtz ingeschreven als student theologie aan de universiteit van Groningen.[1] De keuze voor Groningen was gebruikelijk voor predikantszonen uit Bentheim: de afstand was beperkt, de opleiding gereformeerd en de universiteit had al langer banden met de Duitse grensgebieden.
Na zijn studie werd hij “enige tijd” predikant in Neuenhaus, vervolgens in Coevorden en ten slotte, vanaf 1745, in Emlichheim.[2] Exacte aanvangs- en einddata van zijn bediening in Neuenhaus en Coevorden ontbreken; het ligt voor de hand dat het om kortere perioden ging waarin hij ervaring opdeed in zowel Duitse als Nederlandse context [vermoeden].
Zijn benoeming naar Emlichheim in 1745 was geen automatisme. De kerkenraad en de Oberkirchenrat hadden eerder andere kandidaten overwogen; pas nadat deze bedankten, kwam de jonge, circa twintigjarige Hugenholtz in beeld en werd hij met tien tegen vijf stemmen gekozen.[1] Dit wijst erop dat hij al op jonge leeftijd als bekwaam en acceptabel compromis-kandidaat gold.
⸻
4. Predikant in Emlichheim: huisvesting, veeziekte en kerkelijke conflicten
4.1 Huisvestingskwestie en positie in de gemeente
Bij zijn aankomst in Emlichheim trof Hugenholtz een ingewikkelde situatie rond de predikantswoningen. De traditionele woning van de eerste predikant, de pastorie “De Weme”, werd nog bezet door ds. Sprüngli, die ondanks zijn emeritaat met steun van de Oberkirchenrat weigerde te vertrekken. De feitelijke eerste predikant, ds. Villar, bleef daardoor in de woning van de tweede predikant (het vicariaat) wonen.
Voor de nieuwe tweede predikant Hugenholtz was geen pastorie beschikbaar; hij betrok daarom het huis “de Höfte”, eigendom van de graaf van Bentheim, dat vaker werd gebruikt voor predikanten, ambtenaren en predikantsweduwen en in vervallen staat verkeerde.[1] Pas op 10-01-1750 kon hij de tweede pastorie betrekken. In 1767 kocht hij een klein huis met tuin (later huisnummer 90), dat eerder door de weduwe van ds. Villar was bewoond en later door de familie Nyhuis.[1]
Deze huisvestingskwestie illustreert de verwevenheid van kerkelijke, persoonlijke en politieke belangen: emeritus-predikanten, de graaf, de Oberkirchenrat en de kerkenraad claimden elk hun positie, terwijl Hugenholtz zich daartussen moest zien te handhaven.
4.2 De grote veeziekte van 1745
Kort na zijn komst werd Emlichheim getroffen door een “grote veeziekte” (1745). De beschrijving in de familiebron sluit nauw aan bij wat in de Nederlanden en Noordwest-Europa in dezelfde jaren bekendstaat als runderpest (veepest), een zeer besmettelijke virale rundveeziekte.[6–7] Deze epidemie maakte deel uit van de tweede grote achttiende-eeuwse runderpestgolf (circa 1741–1756). In 1744 bereikte de ziekte de Republiek der Verenigde Nederlanden, waar zij tot 1765 huishield en naar schatting meer dan een miljoen runderen het leven kostte. De sterfte onder besmette dieren kon oplopen tot ongeveer 90%.[6–7]
De Graafschap Bentheim en de Niedergrafschaft, waartoe Emlichheim behoorde, waren sterk agrarisch. Boerenbedrijven waren afhankelijk van runderen als melkvee, trekdier en mestleverancier. Hoewel specifieke cijfers voor Emlichheim ontbreken, is het aannemelijk [vermoeden] dat de economische schade vergelijkbaar was met die in aangrenzende Nederlandse gebieden: een groot deel van de veestapel ging verloren, met directe gevolgen voor voedselvoorziening, pachtbetalingen en belastingopbrengsten.
In eigentijdse prenten en pamfletten werd de runderpest religieus geduid als “Gods slaande hand” over het land, een teken van goddelijke straf over zonde en ondankbaarheid.[8] Predikanten riepen op tot bijzondere bid- en boetedagen. Het ligt voor de hand dat ook in Emlichheim dergelijke theologische duidingen een rol speelden [vermoeden].
Volgens de familiebron reageerde Hugenholtz praktisch: hij organiseerde direct collectes voor zwaar getroffen boeren, die door het verlies van hun vee in acute nood verkeerden.[1] In een samenleving waarin één of enkele koeien het verschil konden maken tussen bestaanszekerheid en armoede, was die steun zeer concreet. Dit droeg eraan bij dat hij al vroeg een sterke positie onder de boerenbevolking kreeg, in tegenstelling tot de meer formeel optredende collega Villar, die in de bronnen vooral naar voren komt als jurist en verdediger van kerkelijke regels.
4.3 Conflicten met de Oberkirchenrat
De Graafschap Bentheim kende een langdurige strijd tussen lokale kerkenraden en de Oberkirchenrat over zeggenschap, vooral rond kerkelijk vermogen en economische rechten, zoals de molen en de aanstelling van molenaars.[5,9] De Oberkirchenrat beriep zich op een bepaling van de graaf uit 1613, die haar ruime bevoegdheden gaf; de kerkenraad van Emlichheim wees op oudere rechten en het feit dat de gemeente de molen al in 1448 had gekocht.[5]
Bij de benoeming van Hugenholtz in 1745 en later bij de benoeming van de tweede predikant ds. Frantzen (na het overlijden van Villar in 1758) liepen de spanningen hoog op. De Oberkirchenrat wilde de eigen kandidaat Engelbertz benoemd zien; de kerkenraad steunde Frantzen. Hugenholtz stemde diplomatiek op een derde kandidaat, Schultz, om niet openlijk tegen de Oberkirchenrat in te gaan en tegelijk de boeren niet van zich te vervreemden.[1]
De gemeente Emlichheim stelde Frantzen desondanks aan, met medewerking van Hugenholtz bij de bevestiging. Dit leidde tot jarenlange processen, waarbij zelfs de regering in Hannover werd ingeschakeld. Uiteindelijk kreeg de gemeente gelijk; Frantzen bleef predikant en diende Emlichheim nog decennia. Deze episode laat zien hoe Hugenholtz een bemiddelende rol speelde: hij laveerde tussen centrale kerkelijke macht en lokale belangen, maar stond in de praktijk dicht bij de boeren en de kerkenraad.
⸻
5. Huwelijk, gezin en sociale positie
Rond 1750 trouwde JBTh Hugenholtz met Swaantien (Swantjen) Büssemaker (1726/1727–05-12-1815), dochter van de vermogende boer Hendrik Büssemaker en Geesien Winkelink.[1] De familie Büssemaker bezat een grote boerderij links naast de kerk en naast de Höfte. Het huwelijk verbond de predikant direct met de agrarische elite van Emlichheim.
Uit dit huwelijk zijn in ieder geval drie kinderen bekend:[1–4]
1. Catharina Elisabeth Hugenholtz (1751–1831), gehuwd met Hillebrand Nyhuis (1745–1802), banketbakker in Hardenberg;
2. Frederik Willem Hugenholtz (1754–1812), later predikant in Gasselternijeveen;
3. Hendrikus Stephanus Hugenholtz (1762–1842), predikant in Emlichheim en vervolgens Veldhausen, stamvader van latere predikanten in de familie.
Andere kinderen worden soms genoemd in secundaire bronnen, maar zijn niet overal consistent gedocumenteerd [vermoeden].
Als eerste predikant genoot Hugenholtz een aanzienlijk inkomen: circa 150 gulden per jaar uit het “Geistliche Rentamt”, het gebruik of de verpachting van de boerderij “De Wedeme” met vee, twee groentetuinen, het visrecht op de vijver achter de kerk en een aandeel in de opbrengst van de molen (roggelevering). In totaal werd zijn inkomen geschat op 700–800 gulden per jaar, wat hem tot de rijke burgerij deed behoren.[1]
Zijn invloed groeide naarmate hij via huwelijk en verwantschap verbonden raakte met andere predikanten, leden van de kerkenraad, de Oberkirchenrat en welgestelde boeren. In de doopregisters noteerde hij de gegevens over boeren en hogere klasse uitvoeriger dan die over de lagere klasse, wat zowel zijn sociale focus als de destijds gangbare hiërarchie weerspiegelt.[1]
⸻
6. Pastoraat, theologie en overlijden
Naast de materiële en bestuurlijke aspecten van zijn ambt zijn er duidelijke sporen van zijn pastorale werk. Een bekende gebeurtenis uit de lokale overlevering betreft een dramatische verdrinking. Rond 1750 liepen twee dochters van boer Berink vanuit de kerk over het ijs van de Vecht (die in die tijd nog langs de kerk stroomde) naar huis. Plotseling zakten zij door het ijs en verdronken. Pas in de lente werden zij teruggevonden, hand in hand, en één van hen had de bijbel nog onder haar arm. Deze bijbel was in 1987 nog in het bezit van de toenmalige boer Berink.[1]
Ds. Hugenholtz werd toen gevraagd om een preek te houden. Volgens mondelinge overlevering – nog 240 jaar later door meerdere mensen verteld – handelde deze preek over de woorden: “En Aäron zweeg stil”. Dat deze tekst zo lang is blijven hangen, wijst erop dat de preek grote indruk moet hebben gemaakt, zowel door de gekozen bijbeltekst als door de wijze waarop Hugenholtz het leed van de familie en de gemeente verwoordde.[1,3]
Van enkele preken is bekend dat ze zijn overgeleverd; uit de inhoud blijkt dat hij een conservatieve, orthodoxe gereformeerde predikant was.[2–3] In een tijd waarin elders de invloed van de Verlichting toenam, bleef hij dicht bij de klassieke gereformeerde leer [vermoeden].
Na het overlijden van Villar in 1758 werd Hugenholtz eerste predikant in Emlichheim. Kerkelijke protocollen melden vanaf dat moment minder conflicten; vergaderingen lijken in rustiger vaarwater te zijn gekomen.[1] De combinatie van zijn bemiddelende stijl en de uiteindelijke juridische overwinning van de gemeente tegenover de Oberkirchenrat zal daaraan hebben bijgedragen.
Hugenholtz bleef tot zijn dood in 1789 predikant in Emlichheim. Hij overleed op ongeveer 64-jarige leeftijd en werd begraven bij de kerk. Zijn graf is vermoedelijk in de Franse tijd geruimd.[1,3] In een door W.F. Visch gepubliceerd gedicht over de geschiedenis van de Graafschap Bentheim wordt hij – onder de naam “Hugenhold” – genoemd in een couplet over inmiddels overleden vrienden, wat aangeeft dat zijn naam ook decennia later nog bekend was.[10]
Gy Sikkers! Hugenhold, myn vrienden.
En Kappenberg, myn tydgenood.
Myn zoekend oog kan U niet vinden.
Gy slaapt in d' armen van den dood.
⸻
7. Karakter en nalatenschap
Directe karakterbeschrijvingen zijn schaars, maar uit de bronnen tekent zich het volgende beeld:
• Orthodox en conservatief in leer en prediking;
• Praktisch en zorgzaam, zichtbaar in zijn optreden tijdens de veeziekte en bij het ongeluk met de dochters van Berink;
• Bemiddelend en diplomatiek in kerkelijke conflicten, zonder de lokale gemeente te laten vallen;
• Sociaal goed ingebed, via huwelijk en verwantschap verbonden met zowel agrarische elite als bestuurlijke klasse.[1–4]
Zijn nalatenschap werkt op meerdere niveaus door:
1. Familie – hij is een centrale schakel in de predikantenlijn van de familie Hugenholtz. Zonen en latere nakomelingen werden predikant in Emlichheim, Veldhausen, Neuenhaus en elders, zodat zijn keuze voor het ambt generaties lang doorwerkte.[2–4,9]
2. Kerk en lokale gemeenschap – door zijn rol in de conflicten met de Oberkirchenrat en zijn praktische zorg in crisistijden, zoals de runderpest en het drama bij de Vecht, droeg hij bij aan de versterking van de lokale kerkenraad en het zelfbewustzijn van de gemeente Emlichheim.[1,5]
3. Herinneringscultuur – zijn naam duikt op in negentiende-eeuwse geschiedwerken en in moderne familiepublicaties, terwijl specifieke preken en gebeurtenissen (zoals “En Aäron zweeg stil”) in de mondelinge traditie voortleven.[1–3,10]
⸻
8. Onzekerheden
• De exacte geboortedatum is niet bekend; alleen de doop op 01-08-1725 te Schüttorf is gedocumenteerd.
• Zijn standplaatsjaren in Neuenhaus en Coevorden vóór 1745 zijn niet exact te reconstrueren; de volgorde is wel zeker.
• Het totale aantal kinderen uit het huwelijk met Swaantien Büssemaker is onzeker; drie kinderen zijn goed traceerbaar, andere mogelijke kinderen zijn niet eenduidig bevestigd.
• De koppeling van de veeziekte van 1745 in Emlichheim aan de grote runderpest-epidemie berust op samenloop in tijd en regio en op de gebruikte term “grote veeziekte”; dat het om runderpest ging is zeer waarschijnlijk maar niet expliciet in lokale bronnen genoemd [vermoeden].
• De weergave van het Berink-incident steunt op familieoverlevering uit de twintigste eeuw; de hoofdlijn is waarschijnlijk betrouwbaar, maar details (zoals exacte jaartal) blijven indicatief [vermoeden].
⸻
Eindnoten
[1] Hugenholtz family website, secties over “G8: JBTh Hugenholtz (1725–1789)” en de geschiedenis van Emlichheim (genealogische en lokale historische samenvatting).
[2] G.W.K. Hugenholtz, Familiegeschiedenis Hugenholtz – De Bentheimse tak (ongepubliceerd manuscript), hoofdstuk over JBTh Hugenholtz.
[3] G.W.K. Hugenholtz, Familiegeschiedenis Hugenholtz (parenteel Peter Hugenholdt), met verwijzingen naar preken en lokale overlevering.
[4] Overzichten van predikanten in Drenthe en Bentheim (o.a. Gasselternijeveen, Veldhausen), met gegevens over Frederik Willem en Hendrikus Stephanus Hugenholtz.
[5] Studies over de kerkstructuur in de Graafschap Bentheim en de rol van de Oberkirchenrat (o.m. lokale kerkgeschiedenissen van Emlichheim en Laar).
[6] WUR-publicatie over runderpest in Nederland in de achttiende eeuw (achtergrond bij de runderpestgolven en economische gevolgen).
[7] F. Van Roosbroeck, artikelen over veepestbestrijding in de achttiende eeuw (mortaliteit, golven 1713–1719, 1741–1756, 1768–1786).
[8] Achttiende-eeuwse prenten en pamfletten over de runderpest (“Gods slaande hand over Nederland”), interpretatie als goddelijke straf.
[9] Regionale genealogische en kerkelijke overzichten over predikantenfamilies in Bentheim en omliggende gebieden (NGV, lokale archieven).
[10] W.F. Visch, Geschiedenis van het Graafschap Bentheim (Zwolle 1820), met vermelding van “Hugenhold” in een gedicht over overleden tijdgenoten.
⸻
Samenvattend blijft JBTh Hugenholtz (1725–1789) zichtbaar als een sleutelpersoon in de familie- en regionale geschiedenis: een predikant die theologie, lokale machtspolitiek en zorg voor zijn gemeente wist te verbinden in een onrustige achttiende eeuw.