Dr. P.H. Hugenholtz (1796-1871)

Advocaat en procureur in Leiden; broer van mjn grootvader ds. G.W.K. Hugenholtz (1889-1969)

Petrus Hermannus (25 juni 1796-7 mei 1871) (A,P)

Hij is geboren in Amerongen op 25 juni 1796, waar hij ook gedoopt is in juni 1796.
Hij studeerde in Utrecht theologie vanaf 23 december 1811 en kreeg op 2 april 1818 de gouden erepenning voor zijn antwoord op de academische prijsvraag over de christenvervolgingen vóór Constantijn de Grote. Op 6 mei 1819 werd hij toegelaten als proponent door het provinciale kerkbestuur van Utrecht en werd hij op 1 augustus 1819 door zijn vader bevestigd als Nederlands Hervormd predikant in Woudenberg met 1 Corinthe III:9a "wij zijn Gods medearbeiders". In de namiddag deed hij zijn intrede met 1 Corinthe III: 11 "Niemand kan een ander fundament leggen, dan het gene gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.
Hij trouwde in IJsselstein op 21 oktober 1819 met Catharina Christina van Affelen (20 februari 1800-14 augustus 1834). Ze is een dochter van Philip Reinhard van Affelen en Anna Sybillia Ledeboer. Ze is overleden in Rotterdam. Na haar dood liet hij de gedichten van zijn vrouw bundelen en in beperkte kring uitgeven onder de titel: Gedichten van Ca. Hugenholtz-v. Affelen. verzameld door P.H. Hugenholtz. z. pl. 1835 (Een exemplaar is aanwezig in de universiteitsbibliotheek van Leiden).

kinderen:
1)Petrus (1820-1824)
2)Catharina (ca 1820-1821)
3)Philip Reinhard (1821-1889)
4)Catharina Geertruida (1823-1823)
5)Petrus (1826-1826)
6)Frederik Willem Nicolaas (1824-1828)
7)Petrus (1830-1896)
8)Catharina Geertruida (1831-1908)
9)Clement Lambertus (1833-1834)
10)Petrus Hermannus (1834-1911)

Hij hertrouwde in Zeist op 8 september 1836 met Hillegonda Cornelia Snellen (3 januari 1800-16 januari 1849). Ze is een dochter van Jan Bartholomeus Snellen en Henriëtte Geertruyd Boon.

kinderen:
11)Johannes Bartholomeus (1837-1923)
12)Frederik Willem Nicolaas (1839-1900)
13)Johan Adriaan (1842- )
14)Cornelis (1843-1843)

Toen zijn 2e vrouw overleed werd de huishouding overgenomen door zijn dochter Catharina Geertruida en toen deze in 1855 in het huwelijk trad door zijn zuster Johanna Adriana (1797-1887).
Op 29 maart 1821 verwierf hij de doctorstitel op een proefschrift over Romeinen VI. Op 4 maart 1823 werd hij, wederom door zijn vader, bevestigd als predikant in Doetinchem (met 2 Timotheüs I: 12b; intrede met Colossenzen III: 12b). Hij nam afscheid van Woudenberg op 20 april met Johannes XVII: 21a. Zijn derde gemeente werd Harderwijk, waar ds. J. Radermacher Schorer hem op 7 mei 1826 bevestigde (met 1 Corinthe IV: 1; intrede met Johannes V: 19 en 20). Hij nam afscheid van Doetinchem op 23 april (met 2 Thessalonicenzen II: 15-17) Van Harderwijk vertrok hij naar Rotterdam waar zijn bevestiging plaats vond op 9 september 1827 door de Rotterdamse predikant ds. R. Adriani (met 2 Corinthe IV: 14, 16a; intrede met Johannes II: 1a). Het afscheid van Harderwijk vond plaats op 26 augustus (met 1 Johannes II: 28a).
Hij hoorde bij de orthodoxe richting met een ethische inslag. Veertig jaar lang was hij lid van het bestuur van het Nederlands Zendingsgenootschap. Van 1832 tot 1848 verzorgde hij de maandberichten van het Nederlands Zendingsgenootschap, maar oogstte daarvoor niet veel dank. Zo beklaagde Groen van Prinsterer zich in 1848, over een gebrek aan "apostolitisch karakter" in het door hem geleide blad: "Die met waardeering van de moeite door Hugenholtz e.a. aan de uitgave besteed, niet beantwoorden aan wat men er billijk van mocht verwachten". In zijn in druk verschenen Goede Vrijdagpreek getiteld: Vrede door het bloed des kruises (1848) gaf Hugenholtz een soort belijdenisschrift uit, tevens bedoeld als weerlegging van de beschuldiging dat het genootschap ontrouw zou zijn geworden aan deze leuze.
Bij gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van het Nederlands Zendingsgenootschap was Hugenholtz door een stemming aangewezen als meest geschikte spreker. "Zijn gelaat kwam het voordeeligst wanneer hij een voorspoedige tijding uit de zending vernam".
Na ruim veertig jaar met veel inzet aan de zending te hebben meegewerkt, kwam het moment dat hij vond dat hij als lid van het hoofdbestuur moest aftreden. Aanleiding hiertoe was de beschuldiging in het orgaan van de Nederlandse Zendingvereniging (februari en april 1865) ingebracht tegen de zendeling van het genootschap J. N. Wiersma, als zou deze behoren tot de "voorstanders van de zoogenaamde Moderne Theologie en zelfs bij een begrafenis ontkend hebben een vergelding na den dood, ja misschien een toekomstig leven". Hoewel de bestuurders deze beschuldiging weerspraken en Wiersma zich verdedigde, nam Hugenholtz zijn ontslag uit het hoofdbestuur.
Op 4 augustus herdacht hij in Rotterdam zijn 25 jarig ambtsjubileum (met Johannes II: 1a) en op 12 september 1852 zijn 25 jarige dienst in Rotterdam. Op 14 augustus 1859 preekte hij nog eenmaal voor zijn eerste gemeente en herdacht hoe hij er 40 jaar geleden de bediening had aanvaard (met Hebreeën XIII: 8). Enkele maanden daarvoor, op 3 april had hij zijn afscheidspreek in Rotterdam gehouden (met 1 Johannes II: 28), vanwege het ingaan van zijn emeritaat, dat hem met ingang van 1 april 1859 wegens lichaamszwakte was verleend.
Hij overleed in Rotterdam.
Uit het boek "Indrukken en Herinneringen", blz 8-9, dat in 1904 door zijn zoon Petrus Hermannus werd uitgegeven heb ik het volgende ontleend.

Nog zie ik hem voor mij, den eerbiedwaardigen grijsaard, want nooit heb ik hem anders dan als grijsaard gekend, met zijn lange magere gestalte, zijn vriendelijk oog, zijn grooten arendsneus en zijn korte kuitbroek, waaruit zijnen dunne beenen te voorschijn kwamen, dat men hem met welgemeende scherts den waaghals noemde, die daarop durfde loopen. Zozeer waren wij kinderen gewoon aan zijn officieel ambtsgewaad, dat wij, toen hij eens op reis gaande naar West-Falen -een lange gewichtige reis!- zijn steek door een gewonen hoed vervangen had, vol verbazing rondom hem stonden en zeiden: "Nu lijkt vader wel een linnenkoopman". Later toen de toga werd ingevoerd, werden steek en korte broek door gewoon kostuum vervangen, maar nog altijd leven zij in mijn herinnering voort.
In heel zijn leven en werken vertoonde hij het beeld van strenge, stipte plichtsbetrachting. Klokke half acht ging hij 's morgens naar beneden om het ontbijt te gebruiken, nadat hij reeds een rustig uur op zijn studeerkamer had doorgebracht. Zijn maaltijden gebruikte hij gewoonlijk met het horloge voor zich, om geen oogenblik te verliezen. Nog hoor ik zijn stem, die mij als jongen uit een diepe slaap deed opschrikken om mij zoo gauw mogelijk in de kleeren te steken. Te acht uur was het gezin, de dienstboden incluis, rondom de eettafel vereenigd en sloeg mijn vader den grooten bijbel op, waaruit hij volgens vasten regel stichtelijke en min-stichtelijke bladzijden voorlas.

vader:
Petrus (1766-1832)
De vader van de broers: Petrus Hermannus Hugenholtz (1706-1871)
De vader van de broers: Petrus Hermannus Hugenholtz (1706-1871)
zijn zoon Philip Reinhard Hugenholtz (1821-1889)
zijn zoon Philip Reinhard Hugenholtz (1821-1889)
zijn zoon Petrus Hermannus Hugenholtz (1834-1911)
zijn zoon Petrus Hermannus Hugenholtz (1834-1911)
zijn zoon Frederik Willem Nicolaas Hugenholtz (1839-1900)
zijn zoon Frederik Willem Nicolaas Hugenholtz (1839-1900)