Echtpaar Lehmkuhl-Vrijenhoek
Het gezin van mijn oudoom Hans Lehmkuhl (1908-1992) en Tiny Vrijenhoek (1906-1987)
Mijn oudoom Hans Lehmkuhl is geboren in Keulen 1908 als jongste kind van de Evangelisch-Lutherse handelaar Carl Lehmkuhl (1874-1952) en de Joodse Gretchen Leeuwarden (1877-1952). Zijn moeder voedde haar kinderen op in de Joodse tradities, hoewel ook de kerkelijke feestdagen van hun vader werden gevierd. Vakanties werden vaak gevierd op het Duitse Waddeneiland Wangerooge, waar de zus en zwager van Gretchen, Röschen en Moritz Levy-Leeuwarden een hotel hadden: "Villa Rose". Na de oorlog was het moeilijk voor haar vader Carl Lehmkuhl om in Keulen werk te vinden. In Hamburg lukte dat wel; daarom woonde hij doordeweeks bij een hospita (oorlogsweduwe) in Hamburg. In de weekenden ging hij naar huis. Na een gelukkige jeugd in Keulen verhuisde het gezin rond 1920 naar Hamburg. Toen het gezin met hun spullen eindelijk aankwam in Hamburg, bleek de familie die in het beoogde huis woonde bij nader inzien niet van plan was om te verhuizen. Terug naar het oude huis kon ook niet meer, omdat daar inmiddels andere mensen woonden. Het gezin is toen noodgedwongen ingetrokken bij de hospita waar haar vader in de weekenden woonde. Als vrij snel werd duidelijk dat haar vader een verhouding met haar had. Zoals te verwachten, was deze situatie onhoudbaar en Gretchen en haar twee kinderen verhuisden naar Bremen. Terug naar Keulen konden ze ook niet meer (Keulen lag na de oorlog in de Engelse zone). Pas in 1939 zijn Gretchen en Carl officieel gescheiden. Gretchen hield de scheiding tegen, maar na het afkondigen van de Neurenberger wetten moet het voor Carl ontzettend eenvoudig zijn geweest om van zijn Joodse vrouw af te komen. Dat heeft hij echter nooit gedaan. Pas toen hij opnieuw ging trouwen, is hij van haar gescheiden. Hoe dan ook; mijn oma Rose, maar ook oom Hans hebben nooit meer contact willen hebben met hun vader. Oom Hans was in Bremen etaleur bij het warenhuis Karstadt.
Hans Lehmkuhl, Richard Heger, Mathilde (Tilly) Heger, Gretchen Lehmkuhl-Leeuwarden, Rose Hugenholtz-Lehmkuhl, Nathan Heger; omstreeks 1926. Bijzonder detail is dat de Henry Heger 25% Joods was en tevens oprichter van de SS en NSDAP in noordwest-Duitsland. Hij had op de foto al een SS-uniform aan. Op dit detail werd ik gewezen door zijn zoon.
Vlucht naar Nederland en huwelijk
Door de toenemende Joodse vervolgingen vluchtte Hans in 1934 met zijn (deels) Joodse moeder Gretchen naar Nederland, waar zijn zus Rose al woonde. Zijn Joodse afkomst werd echter "vervalst" tot één Joodse grootouder, waardoor hij als "Mischling" tweede graad werd geclassificeerd – niet direct deportabel, maar wel oproepbaar voor de Wehrmacht in de late oorlogsfase.
Kort voor zijn oproep trouwde Hans op 24 maart 1944 met Stientje Martha (Tiny) Vrijenhoek (1906-1987). Het huwelijk vond plaats in Nederland, mogelijk in het geheim of onder druk van de omstandigheden.
Gedwongen dienst in de Wehrmacht (1944-1945)
Op 27 maart 1944 vertrok Hans naar Mannheim voor zijn opleiding in de Loretto-Kaserne als soldaat en artillerist bij de Stamm-Batterie schwere Artillerie-Ersatz-Abteilung 69. Na verlof in Fürth-Odenwald volgde een opleiding in Amberg tot reserve-onderofficier. Hij werd bevorderd tot Oberkanonier (15 augustus) en Gefreiter (1 oktober).
In november 1944 werd hij ingedeeld bij Artillerie-Regiment 1352 (11e Batterie, IV. Abteilung) van de 352. Volksgrenadierdivision – een heropgerichte divisie na de vernietiging bij Normandië. Zijn batterij beschikte over vier zware 15 cm veldhouwitsers (sFH 18). Eind november lag de eenheid bij Kyllburg in de Eifel, tegenover Vianden (Luxemburg).
Het Ardennenoffensief
Op 16 december 1944 begon het Ardennenoffensief (Battle of the Bulge), Hitlers laatste grote westerse tegenaanval. Hans' divisie maakte deel uit van het 7e Leger (generaal Brandenberger) en moest de zuidflank beveiligen rond Echternach en Vianden. De 11e Batterie leverde ondersteunend vuur tijdens de eerste bombardementen.
De divisie boekte beperkte vooruitgang – tot aan de Azette-rivier – maar strandde door brandstoftekorten, terreinmoeilijkheden en Amerikaanse weerstand. Na 23 december domineerde de geallieerde luchtmacht. In januari 1945 sloegen tegenaanvallen toe; de divisie trok zich terug naar de Moezel en werd in maart 1945 grotendeels vernietigd. Hans ontving op 17 maart 1945 nog een geweer, kort voor zijn gevangenneming.
Het offensief speelde zich af in barre winterse omstandigheden: diepe sneeuw, mist en kou.
Familie-anekdotes over desertie (niet terugkeren van verlof in oktober 1944) of een bezoek van zijn vrouw Tiny tijdens het front (via Limburg door de sneeuw) lijken onwaarschijnlijk: desertie van een fronteenheid leidde vaak tot executie, en frontbezoeken waren door geheimhouding vrijwel onmogelijk.
Gevangenschap en bevrijding
Kort na maart 1945 werd Hans gevangen genomen. Hij werd via Marseille naar New York verscheept, maar door nieuwe regels (mei 1945) keerden schepen terug. Uiteindelijk belandde hij in kamp Heilbronn (DEF No. 10), een Amerikaans transitkamp met barre omstandigheden – weinig tenten, voedseltekort en dwangarbeid. Hij werd behandeld voor een splinter in zijn oog en vrijgelaten op 13 december 1945 (familieherinneringen spreken van februari 1946).
Dergelijke Rheinwiesenlager-kampen huisvestten honderdduizenden gevangenen onder primitieve omstandigheden.
Naoorlogs leven en overlijden
Na de oorlog woonde Hans afwisselend in Nederland en Duitsland (o.a. Fürth-Odenwald). Met Tiny kreeg hij in 1947 een dochter, Yvonne Lyklema-Lehmkuhl. Na Tiny's overlijden in 1987 hertrouwde hij in 1977 met Corrie Anema (geb. 1925). Hans overleed in 1992.
Zijn verhaal – een vluchteling die gedwongen tegen de geallieerden vocht – leidde tot problemen in Nederland (verbod op "vreemde krijgsdienst"). Toch bouwde hij een leven op, met familiebanden die tot op heden voortleven in verhalen en foto's. Hans figureert ook in de roman Rose van Rosita Steenbeek, gebaseerd op zijn zus.
Hans Lehmkuhl belichaamt de complexiteit van de oorlog: slachtoffer van vervolging, onvrijwillige deelnemer, en overlever die de brug sloeg naar een nieuw leven.
Door de toenemende Joodse vervolgingen vluchtte Hans in 1934 met zijn (deels) Joodse moeder Gretchen naar Nederland, waar zijn zus Rose al woonde. Zijn Joodse afkomst werd echter "vervalst" tot één Joodse grootouder, waardoor hij als "Mischling" tweede graad werd geclassificeerd – niet direct deportabel, maar wel oproepbaar voor de Wehrmacht in de late oorlogsfase.
Kort voor zijn oproep trouwde Hans op 24 maart 1944 met Stientje Martha (Tiny) Vrijenhoek (1906-1987). Het huwelijk vond plaats in Nederland, mogelijk in het geheim of onder druk van de omstandigheden.
Gedwongen dienst in de Wehrmacht (1944-1945)
Op 27 maart 1944 vertrok Hans naar Mannheim voor zijn opleiding in de Loretto-Kaserne als soldaat en artillerist bij de Stamm-Batterie schwere Artillerie-Ersatz-Abteilung 69. Na verlof in Fürth-Odenwald volgde een opleiding in Amberg tot reserve-onderofficier. Hij werd bevorderd tot Oberkanonier (15 augustus) en Gefreiter (1 oktober).
In november 1944 werd hij ingedeeld bij Artillerie-Regiment 1352 (11e Batterie, IV. Abteilung) van de 352. Volksgrenadierdivision – een heropgerichte divisie na de vernietiging bij Normandië. Zijn batterij beschikte over vier zware 15 cm veldhouwitsers (sFH 18). Eind november lag de eenheid bij Kyllburg in de Eifel, tegenover Vianden (Luxemburg).
Het Ardennenoffensief
Op 16 december 1944 begon het Ardennenoffensief (Battle of the Bulge), Hitlers laatste grote westerse tegenaanval. Hans' divisie maakte deel uit van het 7e Leger (generaal Brandenberger) en moest de zuidflank beveiligen rond Echternach en Vianden. De 11e Batterie leverde ondersteunend vuur tijdens de eerste bombardementen.
De divisie boekte beperkte vooruitgang – tot aan de Azette-rivier – maar strandde door brandstoftekorten, terreinmoeilijkheden en Amerikaanse weerstand. Na 23 december domineerde de geallieerde luchtmacht. In januari 1945 sloegen tegenaanvallen toe; de divisie trok zich terug naar de Moezel en werd in maart 1945 grotendeels vernietigd. Hans ontving op 17 maart 1945 nog een geweer, kort voor zijn gevangenneming.
Het offensief speelde zich af in barre winterse omstandigheden: diepe sneeuw, mist en kou.
Familie-anekdotes over desertie (niet terugkeren van verlof in oktober 1944) of een bezoek van zijn vrouw Tiny tijdens het front (via Limburg door de sneeuw) lijken onwaarschijnlijk: desertie van een fronteenheid leidde vaak tot executie, en frontbezoeken waren door geheimhouding vrijwel onmogelijk.
Gevangenschap en bevrijding
Kort na maart 1945 werd Hans gevangen genomen. Hij werd via Marseille naar New York verscheept, maar door nieuwe regels (mei 1945) keerden schepen terug. Uiteindelijk belandde hij in kamp Heilbronn (DEF No. 10), een Amerikaans transitkamp met barre omstandigheden – weinig tenten, voedseltekort en dwangarbeid. Hij werd behandeld voor een splinter in zijn oog en vrijgelaten op 13 december 1945 (familieherinneringen spreken van februari 1946).
Dergelijke Rheinwiesenlager-kampen huisvestten honderdduizenden gevangenen onder primitieve omstandigheden.
Naoorlogs leven en overlijden
Na de oorlog woonde Hans afwisselend in Nederland en Duitsland (o.a. Fürth-Odenwald). Met Tiny kreeg hij in 1947 een dochter, Yvonne Lyklema-Lehmkuhl. Na Tiny's overlijden in 1987 hertrouwde hij in 1977 met Corrie Anema (geb. 1925). Hans overleed in 1992.
Zijn verhaal – een vluchteling die gedwongen tegen de geallieerden vocht – leidde tot problemen in Nederland (verbod op "vreemde krijgsdienst"). Toch bouwde hij een leven op, met familiebanden die tot op heden voortleven in verhalen en foto's. Hans figureert ook in de roman Rose van Rosita Steenbeek, gebaseerd op zijn zus.
Hans Lehmkuhl belichaamt de complexiteit van de oorlog: slachtoffer van vervolging, onvrijwillige deelnemer, en overlever die de brug sloeg naar een nieuw leven.